Constructeurs in F1, goede zaak ?
Door Ramses Bossuyt, 26 January 2003
In dit artikel proberen we een beeld te scheppen over de rol die de constructeurs in de geschiedenis van de F1 hebben vervuld. De trend die zich momenteel doorzet kan het einde betekenen van de sport zoals we die nu kennen.
Dit seizoen rijden er nog slechts drie teams rond die in privé handen verkeren, met name Sauber, van Peter Sauber, Jordan van Eddie Jordan en Minardi van Paul Stoddart.
Alle andere teams zijn ofwel volledig in handen van constructeurs (Renault, Ferrari, Toyota, Jaguar), ofwel voor een groot gedeelte afhankelijk van hun motorenleverancier die tegelijkertijd aandeelhouder is (McLaren/Mercedes, BMW/Williams,BAR/Honda).
Dat deze situatie niet helemaal zonder gevaar is proberen we in de volgende allinea’s via een kleine geschiedenisles duidelijk te maken.
De Formule 1 kent zijn oorsprong in 1906, en werd beheerst door de eerste automerken die op de markt verschenen. Renault won de eerste Grote Prijs, en kreeg in die tijd vooral concurrentie van andere constructeurs die op die manier hun wagens aan het grote publiek aanprezen.
Fiat, Mercedes, Peugeot, Auto Union en Alfa Romea domineerden de sport. Maar door slechte economische tijden gebeurde het dat de constructeurs zich gewoon terugtrokken en dat er geen Grand Prix meer werden georganiseerd.
De eerste economische crisis die de autosport teisterde in 1908, noopte de constructeurs ertoe een verdrag of akkoord te ondertekenen dat ze in de volgende jaren geen Grote Prijzen meer zouden rijden. De ‘Self Denying Ordnance’ werd gerespecteerd en tot in 1912 werd er geen race meer gestreden.
Het toenmalige overkoepelende orgaan deed weinig moeite om de sport gezond te houden, en de constructeurs konden daardoor doen wat ze wilden. De wantoestanden hielden aan tot de tweede wereldoorlog, want pas na de wereldoorlog werd de Formule 1 volwassen, maar eigenaardig genoeg zonder de grote constructeurs.
De autofabrikanten hadden hun handen vol met hun plat gebombardeerde fabrieken terug herop te bouwen. De ravage uit de 2° WO werd tamelijk snel hersteld en bracht de economische toestand in een positieve stroomversnelling.
De afwezigheid van de grote constructeurs gaf gelegenheid aan de onafhankelijke teams om zich in beeld te rijden. Vooral Ferrari en Maserati floreerden in de jaren 50, en bouwden een degelijke reputatie op met hun eigen chassis en motoren. Mercedes en Lancia waren slechts korte tijd aanwezig geweest in de fifties, en trokken zich omwille van verschillende redenen terug uit de autosport.
Een team dat na de hierarchie van de constructeurs en de kleine autosportmerken volledige vernieuwing bracht was Cooper. Zij kwamen opzetten met een concept dat tot dan niet vertoond was. Zij brachten in eigen beheer enkel een eigen chassis, en kochten hun motoren en versnellingsbakken bij externe firma’s. Hun concept bleek na enige tijd zelfs vruchten af te werpen en binnen de kortste keren kreeg de Formule 1 het ene onafhankelijke merk na het andere in zijn rangen. De F1 was eindelijk toegankelijk voor de echte autosportfanaten en merken als Lotus, McLaren, Tyrrell en Brabham werden in die tijd opgericht om grootse prestaties neer te zetten. Later volgden nog meer onafhankelijke teams zoals Williams, Arrows, Benetton,....
De onafhankelijkheid van deze teams bracht met zich mee dat ze zich weinig aantrokken van het concept dat de grote constructeurs altijd voor ogen hielden. Het design van de F1 wagens kon na een tijdje in niks nog vergeleken worden met de auto’s die in de fabrieken werden gebouwd. De aerodynamica van de bolides werd alsmaar belangrijker en eigenzinnige teambazen kwamen met vernieuwingen die door de grote constructeurs misschien nooit zouden verwezenlijkt zijn geworden. Sinds de jaren zestig lijken de wagens in de F1 dan ook in geen enkel opzicht meer op de wagens in het straatbeeld.
De rol van de constructeurs was echter niet uitgespeeld. Op het einde van de jaren zeventig, kwam Renault terug op het toneel, de commercialisering van de sport was in gang gezet, en dit vooral onder het bewind van ons aller Bernie Ecclestone. De constructeurs zagen terug graten in de F1, en na Renault volgden ook Alfa Romeo, BMW en Honda. De investeringen begonnen vanaf de jaren 80 de pan uit te rijzen, en die trend heeft zich doorgezet tot de dag van vandaag. De strategie van Ecclestone, met onder andere het Concorde Akkoord, bracht rijkdom voor het F1 wereldje, maar door het vele geld dat binnenstroomde van sponsorgelden (vooral tabaksgelden) en televisierechten werd ook het verschil tussen de grote en kleine teams alsmaar groter.
Met als gevolg dat het ene onafhankelijke team na het andere de boeken moet sluiten. De investeringen zijn ondertussen zodanig hoog dat een kleiner team niet meer kan wedijveren tegenover de rijke constructeurs.
Indien er morgen nog slechts teams rondrijden die door de grote constructeurs worden beheerd, dan is het gevaar daar, dat in een tijd van recessie, de ene na de andere zich voor een tijdje terugtrekt, en dan kan de F1 zijn boeken sluiten.
Daarom is het nodig dat er onafhankelijke teams blijven bestaan, want zij zijn de zekerheid dat de autosport blijft bestaan. Zij leven puur voor de sport waarvan ze houden en hebben in principe lak aan economische drijfveren. Hun bestaansrecht is hun voornaamste drijfveer.
Leve Jordan, Leve Sauber en Leve Minardi.
Zij bieden de zekerheid dat de passie voor F1 de overhand houdt. Mochten zij morgen niet meer bestaan, wordt de toekomst van F1 plots erg onzeker.
Wat de constructeurs ook beweren, zonder de passie, en met enkel het winstbejag voor ogen, lok je geen kijkers.
F1 merchandise
Een hele winkel vol F1 modellen en spullen tegen scherpe en interessante prijzen. Kom zeker eens kijken!
